‘Een hit hebben is niet het belangrijkste’

Dit interview staat op PlugOut.nl

Partytime, dat is de veelbelovende titel van de nieuwe cd van Le Le. Piet Parra (producer), Rimer London (producer) en Faberyayo (teksten), die we al kenden van De Jeugd van Tegenwoordig, brengen de langverwachte opvolger van Flage (2008) uit op 16 maart. De eerste single ‘Neen’ doet het al goed op YouTube. ‘’Neen’ is een aanklacht tegen de omhelzing van de middelmatigheid.’

Na ‘Flage’ hebben jullie in 2009 een EP uitgebracht, Marble. Waarom hebben jullie zo lang gewacht met Partytime? 
Piet Parra: ‘We hebben zeker niet stilgezeten, we waren veel in de studio. Er kwamen gewoon andere dingen tussen: een nieuw album van ‘De Jeugd’, een nieuwe plaat van Rimer. Zo lag het elke drie maanden weer stil.’

Op ‘Flage’ wordt er gezongen in het Frans, Duits, Nederlands en Engels. Nu zingen jullie alleen in het Engels en Nederlands. 
Faberyayo
: ‘Dat heeft te maken met het moment waarin we zaten. De Engels- en Nederlandstalige tracks zijn ander soort nummers dan op het nieuwe album, dat komt door de manier waarop je daarmee bezig bent, de flow waarin je zit. Het Frans en Duits was overigens ook gewoon op.’

Waarin verschilt ‘Partytime’ nog meer van ‘Flage’?
Faberyayo
: ‘Partytime heeft meer samenhang. Het toffe van ‘Flage’ was dat het alle kanten op ging, omdat we aanvankelijk van plan waren om per taal een EP uit te brengen. Uiteindelijk is het toen toch één cd geworden. Met ‘Partytime’ was het altijd al de bedoeling om een album uit te brengen. ‘Flage’ klinkt meer als een verzameling.’
Rimer London: ‘Ik denk dat we ook langer hebben nagedacht over ‘Partytime’. We waren wat kritischer.’
Faberyayo: ‘De EP die we tussendoor hebben uitgebracht ging ook al wat meer de kant van ‘Partytime’ op. Toen wisten we ook al dat we een band waren, terwijl we tijdens ‘Flage’ gewoon met zijn drieën aan het klooien waren in de studio. Bovendien hebben we voor deze cd gericht singles gemaakt.’

Om hits te scoren?
Piet Parra
: ‘Daar hebben we nooit over gedacht. Als je zo begint krijg je hele domme nummers, of het werkt niet. Een track als ‘Breakfast’, waar we veel goede reacties op kregen, is ontstaan in een kwartiertje. We dachten van songs als ‘Luxe Benen’ of  ‘Golden Boy’: dit wordt te gek, maar die werden veel lauwer ontvangen. Je weet het nooit. Een hit hebben is niet het belangrijkste, maar het is leuk omdat mensen daardoor wel naar je andere nummers gaan luisteren. Het is alsof je twee keer naar iemand kijkt, de double take.

Waar gaat ‘Neen’ over?
Faberyayo
: ‘Het is een aanklacht tegen de omhelzing van middelmatigheid.’
Piet Parra: ‘Wow. Mooi gezegd.’
Faberyayo: ‘Maar tegelijkertijd zijn het ook gewoon ramblings; random observaties samengevat in één nummer.’
Piet Parra: ‘Het is absoluut geen vingertje.’

Is ‘Partytime’ een echt feestalbum?
Piet Parra: ‘Niet per se. We vonden de holle betekenis van het woord ‘partytime’ wel mooi.’
Faberyayo: ‘Het is een wijdverspreide uitdrukking, die eigenlijk niks betekent.’
Piet Parra: ‘Het is ook een beetje lullig bedoeld, met ballonnetjes op de hoes. Het is moeilijk om uit te leggen, misschien hadden we de cd anders moeten noemen.’
Rimer London: ‘Moeilijk…’
Faberyayo: ‘Je wilt een titel verzinnen die mensen aanspreekt. En als we ‘m ‘Moeilijk’ hadden genoemd, hadden we de betekenis van die titel weer moeten uitleggen.’

Uitleggen moet je het toch.
Faberyayo
: ‘Wat vind jij van de titel?’

Als iemand tegen mij zegt: partytime, dan denk ik: dat wordt niks. Dat feestje sla ik over.
Faberyayo
: ‘Dat is precies wat we ermee bedoelden.’

Proberen jullie jezelf in de zeik te nemen?
Faberyayo
: ‘Tuurlijk.’
Piet Parra: ‘Absoluut.’
Rimer London: ‘Altijd.’

‘Partytime’ ligt op 16 maart in de winkels. Voor tourdata en info, houd www.magnetronmusic.com in de gaten.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Opdrachten

‘Het hoeft niet altijd een vocaal spektakel te zijn’

Dit interview is geplaatst op PlugOut.nl

Vier jaar hebben de fans moeten wachten maar eindelijk is het zover: de mannen van HIT ME TV hebben een nieuwe plaat! IIII III I (‘vier-drie-een’ – de verticale strepen uit het logo van de band) wordt op 14 maart in Paradiso gepresenteerd. Zanger Jaap Warmenhoven vertelt over het lange schrijfproces, het unieke artwork, en verschillen met het debuutalbum. ‘Op de eerste cd stond alleen muziek waarop je kon dansen of waaraan je je kon ergeren.’

Twee jaar hebben jullie aan de nieuwe cd gewerkt. Da’s best lang!
‘Toen onze eerste plaat uitkwam hebben we twee jaar getourd. Op een gegeven moment merkten we dat het tijd was voor nieuw materiaal. In die periode schreven we een beetje en we speelden wel ‘s wat. Eigenlijk wilden we meteen door, de studio in, maar toen dachten we: kan het niet anders? Moeten we niet anders klinken of schrijven? We vonden de nieuwe tracks eigenlijk niet goed genoeg. Frank Duchêne, onze producent, liet ons toen zien dat we de tijd moesten nemen om helemaal in het materiaal te klimmen en er écht iets te geks van te maken. Dat hebben we gedaan: we zijn rustig nog eens naar de nummers gaan luisteren en hebben flink nog wat omgegooid. Van sommige tracks hebben we toen zoveel veranderd dat bijvoorbeeld alleen de originele drumpartij bewaard bleef.’

HIT ME TV

Waarin verschilt deze cd van de eerste plaat?
‘Op de eerste cd knalt elk liedje van de plaat af – je luistert ernaar of helemaal niet. Dit album geeft je wat meer ruimte: soms luister je heel gefocust, bij andere stukjes kun je wat praten of werken. Met deze cd kun je veel meer kanten op. Op de eerste cd stond alleen muziek waarop je kon dansen of waaraan je je kon ergeren.’

Je manier van zingen is ook veranderd. Moest je je daarvoor nog verder ontwikkelen als zanger?
‘Wij komen van de harde metal, ik moest altijd gillen om boven de gitaren uit te komen. Met de rustige stukjes op de nieuwe plaat heb ik meer van mijn stem kunnen laten horen. Grappig genoeg was dat makkelijker, maar volgens mij heeft dat vooral met vertrouwen te maken. Als je denkt dat je niet gehoord wordt, ga je gillen; als je denkt dat je indruk moet maken ga je in drie octaven zingen. Je moet het vertrouwen hebben dat het niet altijd een vocaal spektakel hoeft te zijn.’

Jullie hebben iets bijzonders bedacht voor de albumhoes.
‘Onze manager twijfelde of we het album fysiek moesten uitbrengen in verband met de dalende cd-verkoop. Twee jaar aan gewerkt, dachten wij, natuurlijk brengen we ‘m uit! Maar het zette ons wel aan het denken, want iedereen heeft een kast in zijn huis, vol cd’s, waar hij nauwelijks nog naar omkijkt. Moeten wij dan ons uiterste best doen om daar nog een plaat aan toe te voegen? Zo is het idee ontstaan om het artwork van andere muzikanten en bands te hergebruiken: uit het artwork van een bestaande cd snijden we ons eigen logo, en zo ontstaat onze nieuwe album-art. Ook de titel van de plaat hebben we in die lijn bedacht: door alleen de verticale lijnen uit de bandnaam over te laten houd je IIII III I over. En ook de clip van de eerste single ‘New York Kids’ is volgens die gedachte. Hiervoor hebben we dertig videoclips gebruikt, waaruit we onze eigen profielen hebben gesneden. Met al die clips en muzikanten hebben we iets, dus je kunt het zien als een ode.’

‘IIII III I’ ligt op 16 maart in de winkels. Voor tourdata en info, check www.hitmetv.net.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Opdrachten

Geen plinky plonk rock

Dit interview is gepubliceerd in het Noordhollands Dagblad en op PlugOut.nl

In een gezellige hotelbar vlakbij het Leidseplein zit Lisa Hannigan om twee uur ‘s middags aan het ontbijt. ‘Sorry voor de kruimels hoor!’ Haar tweede soloalbum ‘Passenger’ is net uit, en hoewel ze in Nederland nog niet zo bekend is, werkte ze al eerder met bekende namen als Damien Rice en Herbie Hancock. 

Je beschrijft je muziek als “plinky plonk rock”. Ik heb geen idee wat dat is.
Ik ook niet. Echt niet. Een vriend van mij heeft dat een keer ergens gezegd. Sindsdien gaat het verhaal dat ik mijn muziek zo omschrijf. Ik heb die term nog nooit gebruikt, maar ik krijg het helaas niet van mijn pagina op Wikipedia af, haha.
 
Hoe omschrijf je jouw muziek dan wel?
Ik heb geen idee waar mijn muziek naar klinkt of waar het op lijkt. Natuurlijk heb ik wel inspiratiebronnen, maar als ik aan het schrijven ben luister ik eigenlijk nooit naar muziek. Sorry, ik weet het niet!

Je tweede soloalbum is net uit. Wat zijn de belangrijkste verschillen met je eerste cd ‘Sea Sew’?
De nieuwe cd ‘Passenger’ heeft een heel duidelijk thema en dat is reizen. Mijn eerste plaat was veel meer een verzameling van liedjes, die niet zoveel met elkaar te maken hadden. Ook vind ik de nummers op mijn tweede cd wat donkerder en over het algemeen ook beter.

Je hebt lange tijd met Damien Rice gewerkt, nu kan je je eigen gang gaan. Wat zijn daarvan de voor- en nadelen?
Het is in zekere zin makkelijker om voor een ander te werken, omdat je niet eindverantwoordelijk bent. Maar als je eenmaal zelf de aanvoerder bent, voelt die druk juist goed, want dan gaat het om je eigen werk en je eigen creaties. Door samen met Damien Rice te spelen, heb ik geleerd hoe het werkt om met een band samen te spelen. Een band werkt namelijk als een soort familie: je bent wekenlang non-stop samen en deelt alles met elkaar. Mijn bandleden zijn allemaal vrienden, dat maakt het een stuk makkelijker en gezelliger.

Herbie Hancock heeft je vergeleken met het trompetspel van Miles Davis.
Amazing! Echt ongelooflijk. Het was al geweldig om hem te ontmoeten en met hem te werken, dat hij me dan ook nog zo’n compliment geeft… Niet te geloven! Ik heb veel van hem geleerd, en hij stond ook open voor nieuwe dingen. Volgens mij is het heel belangrijk om nieuwe ideeën en inspiratie altijd positief te benaderen, want zo blijf je je als muzikant ontwikkelen.

Voor een reclame voor een goed doel heb je je laten bedekken in gesmolten chocolade. Aanrader?
Absoluut niet! Het klonk zoveel leuker dan het was. Toen ik de chocolade op me kreeg was het na vijf seconden koud en kleverig. Het plakte de haartjes van mijn armen vast en als ik bewoog voelde het heel raar en onprettig. Maar ja, alles voor het goede doel!

Wat is je favoriete moment uit je carrière tot nu toe?
Dat zijn er eigenlijk teveel om op te noemen. Soms heb je een concert waarbij alles klopt: het spelen met de band gaat lekker, het publiek is enthousiast. Dan valt alles op zijn plek en dan denk ik: dit is het enige wat ik wil in mijn leven. In een band spelen en de wereld afreizen met mijn vrienden, wat heb ik toch een geluk!

Heb je nog tips voor Nederlandse muzikanten die willen doorbreken?
Meters maken! Zoveel mogelijk spelen en oefenen en zoveel mogelijk samenspelen met andere muzikanten. Als je een nieuw instrument ziet, probeer ‘t gewoon! O ja, en laat je niet voor een reclame bedekken met gesmolten chocolade.

De cd’s Sea Sew en Passenger liggen nu in de winkel. Voor meer info, check: www.lisahannigan.ie 

Geef een reactie

Opgeslagen onder Opdrachten

Middeleeuwse traditie is nog springlevend

Dit artikel verscheen in april 2011 in onderwijsvakblad Didaktief.

Tweehonderd uur zingen per jaar is heel gewoon op Koorschool Sint Bavo in Haarlem. De kinderen leren er niet minder om. Hoewel het echt niet allemaal uitblinkers zijn, krijgen ze bijna allemaal een vwo-advies in groep 8. Zingen is goed voor de hersenen.

“Koorschool Sint-Bavo, Hans Hartog, goedemorgen!” Directeur Hans Hartog heeft vanochtend telefoondienst. Delegeren is niet altijd een optie, als je team maar dertien man, onder wie vier muziekdocenten, beslaat. De Koorschool Sint-Bavo telt slechts 64 leerlingen. De kerkelijke, muzikale traditie speelt hier de hoofdrol, al verraden de grote digiborden dat er ook in dit voormalige klooster geen ontkomen is aan de 21e eeuw.

De leerlingen van de Koorschool hebben een uur zangles per dag. Ze zingen met hun eigen klas, met andere klassen, met alleen de meisjes of jongens of met alleen de sopranen of alten. Daarnaast zijn de maandag- en vrijdagavond gereserveerd voor repetities en op zondagen zingt één van de deelkoren in de kathedraal, aan de overkant van de straat. Ook is er ieder jaar een tournee voor de oudste groepen: dit jaar gaat de reis naar Berlijn, een paar jaar geleden deden ze Rome aan. Voor leerlingen die uitblinken is er een soloklas: deze kinderen worden gecoacht om als solist te kunnen zingen.

Fons Ziekman is een van de muziekdocenten, hij geeft twee ochtenden per week zangles. Na een opwarming beginnen groep 6, 7 en 8 met een psalm. De meeste leerlingen letten goed op en doen enthousiast mee. Een enkeling staart wat glazig voor zich uit of zit onderuitgezakt in zijn stoel, maar wordt dan door Ziekman scherp tot de orde geroepen. Moeiteloos zingen de jonge zangers van blad en ook voor tweestemmige partijen draaien ze hun hand niet om. Vragen zijn er wel over de tekst van de psalm. “Wat betekent vroom?” De les erna, van groep 5, staat in het teken van een zangspel: een kind wijst op het bord de noten aan die de nachtegaaltjes moeten zingen. Zo te horen is hier nog werk aan de winkel.

Bisschop
Dankzij een status aparte die het ministerie van onderwijs ruim zestig jaar geleden aan de school toekende, kan de Koorschool Sint-Bavo zonder kleuterafdeling en onderbouw blijven bestaan. Die kleinschaligheid heeft geen pedagogische grondslag, maar heeft puur te maken met de alledaagse praktijk. “Een koor van 150 tot 200 kinderen is simpelweg niet te leiden binnen de school.” Maar ook buiten de schoolmuren zou zo’n groot koor niet handig zijn.

De school selecteert aan de poort. “Leerlingen beginnen hier in groep 5. Vereiste is dat ze kunnen meekomen op school, en dat ze een gezonde stem en een goed stel oren hebben”, aldus de directeur. De muzikale test duurt een kwartier en bestaat uit muzikale spelletjes. Alle leerlingen bespelen ook een instrument, want dat bevordert de muzikale ontwikkeling. Per jaar krijgt de school zo’n 30 aanmeldingen voor zestien plekken en daarmee is het animo de afgelopen jaren behoorlijk gestegen: een aantal jaar terug bleven er vaak nog plekken vrij.

Koorscholen werden al in de Middeleeuwen opgericht om de muziek in de kerk te verzorgen. Na de reformatie verdween deze traditie van jonge zangertjes grotendeels. In Haarlem werd de Grote Bavo-kathedraal omgedoopt tot een protestants gebedshuis en pas toen er in 1853 weer een bisdom werd gevestigd in de stad, plande men de bouw van een nieuwe kathedraal. De kathedrale basiliek Sint Bavo was in 1930 af. Vijftien jaar later werd de huidige koorschool gesticht. Lange tijd nam de koorschool alleen jongetjes aan, maar toen begin jaren negentig de inschrijvingen terugliepen zag het bestuur zich gedwongen de deuren ook open te zetten voor meisjes. En de modernisering gaat verder, want sinds vorig jaar staat er ook niet-kerkelijke muziek op het repertoire, om een breder publiek te bereiken.

Sprinkhanen
Op de vraag of al dat muziekonderwijs – tweehonderd uur op jaarbasis – niet ten koste gaat van andere vakken, zoals taal en rekenen, is Hartog resoluut. “Absoluut niet”, zegt hij. “Niet alle leerlingen komen hier binnen met een geweldig rapport. Toch krijgen naar verhouding veel leerlingen uit groep 8 een vwo-advies.” Natuurlijk speelt de sociaal-economische achtergrond van de leerlingen ook een rol, want over het algemeen krijgen deze kinderen thuis veel mee. Hartog ziet het uitgebreide zangonderwijs als verrijking. “In het reguliere onderwijs waar ik lang heb gewerkt, is muziek vaak het stiefkindje. Het gaat altijd om kennen en kunnen, taal en rekenen, met als gevolg dat kinderen een eenzijdige ontwikkeling doormaken. En dat terwijl bewezen is dat muziek maken goed is voor de hersenontwikkeling. Dat positieve effect van muziekonderwijs gun ik ieder kind.”

Fons Ziekman is evenmin te spreken over het muziekonderwijs in Nederland. Hij zou graag zien dat muziek hoger op het lijstje van basisscholen komt. “Elke school zou een vakdocent muziek moeten hebben die weet wat het vak inhoudt, want dat leer je niet op de pabo.”

Manon Willemse geeft al elf jaar les aan groep 6 en 7. “Ik ben zelf veel met muziek bezig en ik vind het heel fijn om er hier continu in te zitten.” De afwisseling die de school biedt bevalt haar goed. “Door al die zangrepetities moet je flexibel om kunnen gaan met de tijd en moet het tempo wat omhoog. Dat is, naast de kleinschaligheid, het grootste verschil met een reguliere school.” Van de docenten wordt wel extra inzet verwacht. “We begeleiden leerlingen vaak naar concerten in het weekend, dat moet je ervoor over hebben.”

Tussen het opnemen van de telefoon door ruimt Hartog nog even de keuken op. Gisteravond waren de ouders op school ter afsluiting van een cultureel project. “Het thema was Zimbabwe. We hebben sprinkhanen gefrituurd. Die waren nog best lekker.” Of er ook werd gezongen? “Natuurlijk! Zingen doen ze hier altijd.”

Geef een reactie

Opgeslagen onder Opdrachten

Dansend geboren

Dit interview staat binnenkort op JulianaBraga.nl

Toen ze een kind was vertelde haar vader dat ze naar een Nederlandse koningin was vernoemd. Vanaf dat moment wist de Braziliaanse Juliana Braga (46) dat ze ons koude kikkerlandje op een dag zou zien. Uiteindelijk was het dansen dat haar hier bracht. “Dansen is therapie.”

Juliana’s dansschool, Espaço Cultural, is gevestigd onder het spoor en biedt uitzicht op de huizen van de Haarlemmer Houttuinen. Het schooltje is klein en knus. Op deze en andere plekken doceert Juliana al twintig jaar de elegante ballroomdans samba de gafieira en het sensuelere, speelsere forró. Daarnaast geeft ze ook samba solo, een pittige solodans die wij van het Braziliaanse carnaval kennen. Alle drie de dansen zijn afkomstig uit Juliana’s thuisland.

Dansen is je passie. Hoe is deze liefde ontstaan?
“Ik heb het dansen niet gekozen, het heeft mij gekozen. Ik ben eigenlijk dansend geboren. Toen ik drie was deed ik al danspasjes dus een paar jaar later vond mijn moeder het tijd worden voor lessen. Ze twijfelde nog even tussen dansen en atletiek, maar meldde me uiteindelijk aan bij de eerste school voor moderne dans in mijn woonplaats, Belo Horizonte. Daar is het echt begonnen. Mijn lerares, Marilene Martins, leerde mij alles, ook over anatomie en didactiek. En zo begon ik op mijn vijftiende als danslerares, ballerina en choreograaf in Marilenes school. Een aantal jaar later haalde ik mijn diploma.”

“Ik heb het dansen niet gekozen, het heeft mij gekozen.”

Je begon met modern ballet maar kwam terecht bij ballroomdansen. Kun je daar wat over vertellen?
“Naast modern ballet studeerde ik ook Braziliaanse volksdans en Afro-Braziliaanse dans, een stijl die sterk beïnvloed is door de cultuur van de Afrikaanse bevolking van Brazilië. Maar toen mijn vader mij op mijn zeventiende meenam naar een samba de gafieira-baile [dansavond], was ik verkocht. Het sociale aspect van de partnerdans sprak mij meteen aan en zo begon ik met intensieve privélessen van verschillende gafieirameesters.”

Is dat sociale aspect van partnerdans de reden dat je hierin al twintig jaar lesgeeft?
“Ik ben een lerares van nature. Ik geef les aan iedereen, en wil ook iedereen leren dansen, omdat ik in ieder individu zie waar hij goed of minder goed in is. Mijn methode is gericht op de persoon en niet op de dans: mijn uitgangspunt is niet om elk pasje perfect te krijgen, maar het vermogen van mijn leerling.”

“Mijn uitgangspunt is het vermogen van mijn leerling.”

Wat zijn je ideeën over dans? Wat is de functie ervan voor jou?
“Voor mij is dansen het ontwikkelen van expressie. Daarom houd ik meer van expressionistische volksdansen dan van dansen met veel moeilijke passen. Ik wil mensen leren hoe ze de muziek kunnen gebruiken om zichzelf te uiten. Natuurlijk is techniek belangrijk, maar muzikaliteit en gevoel zijn van een veel groter belang. Dansen is therapie. Om meer zelfvertrouwen te krijgen, om te ontstressen, om welke reden dan ook. En dansen is plezier hebben, je niet hoeven te bewijzen aan anderen.”

Hoe kijk je tegen je dansleven aan in Nederland?
“Ik ben hier in 1989 terechtgekomen, toen ik nog met een moderne dansgroep werkte. Ik voel me hier thuis. Dit is een plaats waar ik heel veel kan werken, waar ik het gevoel heb dat mensen me nodig hebben. Het is voor mij heel belangrijk om iets te doen waarmee ik anderen help. Ik ben eigenlijk een maatschappelijk werker. Misschien ga ik ooit terug naar Brazilië om in de favelas [sloppenwijken] met kansarme kinderen te werken, zoals ik eerder ook heb gedaan. Hoe dan ook, ik wil iets doen wat maatschappelijk is, en wat nodig is. Wanneer ik oud ben wil ik terugkijken op mijn leven en kunnen zeggen: ‘Ik heb mijn ziel niet verkocht.’”

Geef een reactie

Opgeslagen onder Opdrachten

Lesgeven tegen de bierkaai

Dit artikel verscheen in het novembernummer 2010 van onderwijsvakblad Didaktief.

Lesgeven aan kinderen in een Braziliaanse sloppenwijk lijkt een hopeloze zaak. Het team van Escola Estadual Dona Augusta probeert er het beste van te maken. Met warme maaltijden, balletles en briefjes voor de moeders thuis.

Het klaslokaal van juf Luisa maakt een vervallen en rommelige indruk. Krakkemikkige tafeltjes staan door elkaar. Een hoek bij het raam staat vol ongebruikte stoelen. Een paar kleurrijke posters aan de muur geven het lokaal wat broodnodige gezelligheid, toch zijn de tralies voor de ramen moeilijk te negeren. Ook het uitzicht valt niet weg te poetsen: betonnen monsterflats van de tegenovergelegen wijk.

De Escola Estaudal Dona Augusta bevindt zich aan de rand van een sloppenwijk in Belo Horizonte. Deze stad telt – voorsteden meegerekend – ruim vijf miljoen inwoners en ligt op een uur vliegen van Rio de Janeiro. De relatieve rijkdom die het zuiden van Brazilië kenmerkt is niet aan iedereen besteed. De 458 leerlingen van Dona Augusta komen praktisch allemaal uit de achterliggende favela, die bestuurd wordt door drugshandelaren. De autoriteiten laten zich hier niet zien. De kinderen hebben geen vader en mogen van geluk spreken als hun moeder eten in huis haalt. Door het totale gebrek aan aandacht thuis hapert of stokt de ontwikkeling van de leerlingen op zo goed als ieder vlak en de gevolgen daarvan zijn allesbepalend voor de dagelijkse gang van zaken op school.

Maria Luisa Marilaç Almeida geeft leiding aan groep 4. Haar klas bestaat uit 22 leerlingen, allemaal rond de zeven jaar oud. In deze groep worden kinderen met leer- en gedragsproblemen, maar ook leerlingen met problemen omtrent horen en spreken geplaatst.

Onverzorgd
Er heerst een constante chaos in de klas. Leerlingen schuiven met tafeltjes, lopen de klas uit om hun potlood te zoeken en hebben hun spullen niet in orde. Een enkeling doet mee met de les – er wordt klassikaal huiswerk nagekeken – maar de meeste kinderen hebben de opdrachten niet gemaakt of hebben hun boek niet meegenomen.  

‘Een groot probleem is dat de kinderen geen hulp of steun krijgen vanuit huis’, vertelt Luisa. ‘Hun ouders interesseren zich niet voor hun scholing, omdat ze niet vinden dat ze daardoor later een beter leven kunnen krijgen.’ De meeste moeders zijn jong, begin twintig, en komen uit soortgelijke omstandigheden als waar hun kinderen nu in opgroeien. Het ontbreekt ze aan kennis en middelen om hun kinderen goed op te voeden. Zo praten ze nauwelijks met hun kinderen en letten ze niet op of huiswerk wel wordt gemaakt en of de schooltas goed is ingepakt.  

De school probeert dit wel te bestijden. ‘We vinden communicatie met de familie heel belangrijk’, vertelt directeur Nádia Cristina Eulalio de Souza. ‘We werken met schriftjes die de leerlingen meenemen naar huis. Zo kunnen juf en moeder de vooruitgang van een kind bespreken.’  

Toch hebben veel kinderen het zwaar te verduren. Isadora heeft grote wallen onder haar ogen en ziet er onverzorgd uit. Juf Luisa heeft al vaak briefjes naar huis gestuurd om haar moeder te vertellen dat Isadora’s haar nodig gewassen en geborsteld moet worden. Het haalde niets uit. Vandaag wordt moeder om een andere reden op het matje geroepen. Het kleine meisje valt iedere middag tijdens de les in slaap en Luisa wil dat de jonge vrouw haar kind op tijd naar bed brengt. Moeder hoort de juf geduldig aan en wordt vervolgens boos op de zevenjarige Isadora. Dit geïmproviseerde oudergesprek moet tijdens de les plaatsvinden, tussen de vrolijk rondrennende en schreeuwende kinderen, omdat Isadora’s moeder normaal niet komt opdagen bij oudergesprekken.

De Nederlandse psychologiestudent Vita Stamperius loopt stage op Dona Augusta. ‘Het zelfvertrouwen van de kinderen is nihil. Ze leren niet hoe ze moeten omgaan met gevoelens omdat hun moeder dat ook niet kan. De sociaal-emotionele achterstand is dus enorm en de kans dat deze kinderen zich later kunnen onttrekken aan de economische én geestelijke armoede is heel klein.’

Sponsor
De armoede van het openbare onderwijs in Brazilië is niet alleen merkbaar in de staat van schoolfaciliteiten, maar heeft ook zijn weerslag op de kwaliteit van de leraren. Zo is het gebruikelijk dat docenten op openbare scholen vaak niet verschijnen, en hele klassen naar huis worden gestuurd. Een Braziliaanse leraar verdient het minimumsalaris van 510 real, omgerekend zo’n 220 euro. Maar de prijzen zijn hoog en er valt op een minimumsalaris nauwelijks te leven. Dat opgeteld bij de slechte omstandigheden op school, is het voor veel leraren moeilijk gemotiveerd te blijven.

Juf Luisa, die wél gedreven is, ziet de slechte opleiding van leraren als de belangrijkste factor van het lage niveau van het openbaar onderwijs. ‘Het zou scholen een enorme boost geven als leraren meer kansen zouden krijgen om zich te ontwikkelen en cursussen te volgen. Nu is daar geen tijd en geld voor. Per week staan er maar twee uur ingepland om lessen voor te bereiden, projecten te ontwikkelen, na te kijken en te vergaderen. Dat red ik al niet, dus wanneer moet ik mijn vakkennis bijschaven?’

Ondanks het gemis van kennis en middelen staat Dona Augusta bekend als een van de betere openbare scholen. Kinderen worden opgevangen van acht tot vijf, terwijl een schooldag in Brazilië normaal alleen de ochtend beslaat. Daardoor kunnen de leraren van deze school, die zeer gemotiveerd zijn om de leerlingen te helpen, positieve invloed uitoefenen op de ontwikkeling van de kinderen. Verder worden leerlingen hier goed gevoed: iedere dag krijgen ze een ontbijt en twee warme maaltijden. Dankzij een sponsor zijn er balletlessen om leerlingen een betere houding, zelfbewustzijn en creativiteit bij te brengen; een unicum in het Braziliaanse openbare onderwijs. Zo weet deze school zich op een opvallende manier te onderscheiden en kunnen de leraren, die zeer gemotiveerd zijn, meer invloed uitoefenen op de ontwikkeling van de kinderen. Juf Luisa: ‘Ik blijf mijn best doen voor deze kinderen en leer ze wat ik weet. Ik weet zeker dat ik ze kan helpen.’

Geef een reactie

Opgeslagen onder Opdrachten

Waarheid en vrede

Dit artikel verscheen op VersPers.nl

Graaf Leo Tolstoj wordt vaak gezien als een van de grootste, meest invloedrijke Russische auteurs. Hij schreef veelgeprezen werken als Oorlog en vrede en Anna Karenina. Maar hij leed onder zijn rusteloze geweten en zijn zoektocht naar de Waarheid. Honderd jaar na zijn dood schetst VersPers zijn opvallende bestaan.

Als Leo Tolstoj op 9 september 1828 in een prominente familie geboren wordt, valt niet te voorspellen dat ondanks zijn uiterst succesvolle schrijverschap iets anders dan literatuur het grootste deel van zijn leven zal vullen. Zijn ouders, die al vroeg sterven, behoren tot een van de oudste adellijke takken van het tsaristische Rusland. Zijn familie heeft al geruime tijd grote invloed in het wereldrijk. Zo werkt diplomaat Peter Tolstoj aan het begin van de achttiende eeuw nauw samen met Peter de Grote en wordt Dmitri Tolstoj in de tweede helft van de negentiende eeuw door Alexander II benoemd tot minister van Onderwijs en, later, van Binnenlandse Zaken.

Leo Tolstoj brengt het grootste deel van zijn leven door op Jasnaja Poljana, het landgoed van zijn familie dat honderd kilometer ten zuiden van Moskou ligt. Na de dood van zijn ouders wordt hij opgevoed door familie: met name een tante speelt hierin een grote rol. Tolstoj ziet haar dan ook als een tweede moeder.

Op zestienjarige leeftijd vertrekt de jonge graaf naar Kazan om oosterse talen en rechten te studeren. Op de universiteit is hij een vreemde eend in de bijt. Hij sluit vriendschap met een arme student, wat ongewoon is voor iemand met een aristocratische achtergrond. En zijn docenten zijn niet over Tolstoj te spreken: ze noemen hem lui en ongemotiveerd.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Tolstoj in 1847 zonder diploma de universiteit verlaat. In de periode die hier op volgt brengt Tolstoj zijn tijd gokkend en drinkend door in Jasnaja Poljana, Sint-Petersburg en Moskou. Hier maakt Tolstoj zich schuldig aan een houding die hij later sterk zal afkeuren en veroordelen. Het is echter in deze tijd dat hij begint te schrijven: eerst dagboeken, later – wanneer hij mee vecht in de Krimoorlog – Kindertijd, het eerste deel van een autobiografisch drieluik.

Tolstoj is op zoek naar volmaaktheid. Hij is streng voor zichzelf, schrijft zijn dochter Tatjana in haar herinneringen aan haar vader, maar hij heeft ook een onuitputtelijk positieve instelling. Uitspraken als “Kiespijn doet gezondheid waarderen” en “Mijn pijnen hebben mij groot moreel voordeel gebracht, ik ben God dan ook dankbaar dat Hij ze mij heeft gegeven” illustreren dit optimisme in Tolstojs dagboeken.

Aan zichzelf en aan anderen stelt Tolstoj uiterst hoge eisen. Hij neemt veel taken op zich, aldus zijn dochter. Zo wil hij in een week tijd Romeins recht, Engels en Latijn studeren. Daarnaast wil hij ook strenge leefregels opstellen. Omdat hij al die taken nooit in zo’n korte tijd kan vervullen, is Tolstoj ontevreden over zichzelf.

In zijn wil om het goede te doen, stuit Tolstoj op verzet dat hij niet begrijpt. In Mijn biecht (1881) blikt hij terug: “Van ganser harte wilde ik goed zijn, maar ik was jong, had hartstochten, was alleen, absoluut alleen toen ik op zoek was naar het goede. Telkens als ik uiting gaf aan mijn diepste wens – in moreel opzicht goed te zijn – stuitte ik op minachting en spotternij. Maar zodra ik mij door kwade hartstochten liet meeslepen, werd ik geprezen en aangemoedigd.” Het gokken en drinken dat in die tijd kenmerkend is voor de levensstijl van de hoge adel, keurt de schrijver steeds meer af. Hij vindt het een leeg bestaan, dat oppervlakkig en lichtzinnig is. Een opvallende houding die afwijkt van de algemene opinie is dan al kenmerkend voor Tolstoj.

Tussen 1857 en 1861 reist Tolstoj twee keer door Europa. Deze reizen zijn teleurstellend voor de schrijver. Voor eens en voor altijd heeft hij genoeg van “de zelfvoldaanheid en het materialisme”, dat in zijn ogen Europa in de ban heeft. Ook een terechtstelling die hij ziet in Parijs maakt diepe indruk.

Bij thuiskomst in Jasnaja Poljana wordt Tolstoj verliefd. De achttienjarige Sofia Behrs – dochter van een arts die werkzaam is aan het hof – verovert zijn hart. “Ik ben zo verliefd, ik wist niet dat je dat zo erg kon zijn”, schrijft hij in zijn dagboek. Een huwelijk volgt; een mijlpaal in Tolstojs leven.

De liefde tussen Tolstoj en de jonge Sofia is groot, blijkt uit de dagboeken die zij bijhielden. Zij ziet hem als haar meerdere op intellectueel niveau en doet daarom haar best meer op hem te lijken. Hij beschouwt haar als zuiver en intens goed. In de jaren hierna leidt het jonge gezin een gelukkig, rustig leven met als resultaat de uitgave van Oorlog en vrede (1869) en Anna Karenina (1877), waarbij Sofia haar man met raad en daad bijstaat. De echtverbintenis brengt ook dertien kinderen voort, van wie er vijf op jonge leeftijd overlijden.

Langzamerhand worden Tolstojs opvattingen radicaler. Het schrijven van romans beantwoordt zijn vragen over morele en religieuze dilemma’s niet en hij raakt in een geloofscrisis. “Ik voelde momenten van twijfel in mijn leven; ik wist niet meer hoe ik verder moest”, schrijft hij jaren later.

Na een lange zoektocht vindt Tolstoj heil in het christendom. De kern van zijn geloof wordt gevormd door vergevingsgezindheid en geweldloosheid, waar hij later Mahatma Gandhi mee zou inspireren. Bezittingen worden Tolstoj een last. Hij voelt het als een zonde en hij begint geld weg te geven. Zijn vrouw is het daar niet mee eens. “Maar hij blijft koppig het Evangelie citeren: geef aan wie erom vraagt”, schrijft Sofia in haar memoires.

De oudere Tolstoj wordt steeds extremer in zijn geloof. Hij zondert zich af op Jasnaja Poljana en verzamelt enkele leerlingen om zich heen, voor wie Tolstoj als een profeet is. Maar ook kweekt hij met zijn inmiddels anarchistische overtuigingen veel onbegrip bij zijn vrouw. De spanningen lopen hoog op en wanneer Tolstoj besluit afstand te doen van al zijn bezittingen, met als doel de christelijke volmaaktheid te bereiken, barst de bom. Eind 1910 vlucht Tolstoj weg uit Jasnaja Poljana, weg van zijn vrouw. Na een rusteloze reis overlijdt hij op 20 november in het gehucht Astapowo, in het huisje van de stationschef.

Tolstojs leven stond voor het grootste deel in teken van de zoektocht naar volmaaktheid. Terwijl de andere Russische edelen in weelde en rijkdom leefden en zich weinig aantrokken van de armoede van het volk, probeerde Tolstoj – misschien op het obsessieve af – het goede te doen voor zijn naasten en anderen en zichzelf met immateriële zaken te verrijken. Maar verblind door zijn religieuze, morele reis, raakte Tolstoj steeds verder verwijderd van Sofia. Ondanks de gelukkige beginjaren van hun huwelijk, waarbij zij elkaars steun en toeverlaat waren, was zij niet aanwezig toen Tolstoj, in totale overgave aan God, het leven liet.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Opdrachten